In deze poging.
Wij, in dezelfde vreugde
Van wanhoop en weelde, van wanorde en waarheid.
Wij, met onze kwijl en onze tranen, in het ongewisse
In de doolhof van de eenvoud.
Jij. Bevend in je glanzende aanwezigheid
Teder, ziek tussen het laaiende gras
Dat zaad uitzaait. Jij, die naakt ziet
Wat de gladde grond bedekt, wat de vrouw verlangt
Wanneer het nacht wordt en alle tegelijk.
Ik. Aangetast, luisterend naar wat sinds eeuwen
Wordt herhaald, terwijl ik toegeef aan de doodse dingen
Van de dood. Ik, die rillend onderging, maar herleef
In wat met mij oud zal worden en het verleden bedekt
En eindelijk de enige werd die mij bestaat.
Jij en ik. Als monsters van vertwijfeling
Of schuldig aan verre verwantschap, elkaar bevreemdend
Niets bedekkend, niets bezwerend. Niets bezwarend.
Wij, en na dit alles, geen tweestrijd geen tekens,
Is de nederigheid, het weinige, tot zwijgen gebracht.
Voor Dan Van Severen (Hugues C. Pernath)